H O E  W E E T  G I J  T  D A N  Z O O  W E L...

Hoe weet gij t dan zoo wel,
na s winters duisterheden
     te hebben doorgestaan,
     met welk een verruwpracht
     gij dekken zult uw hoofd,
     o edel boomgeslacht,
nu t werom lente wordt
en t jaar is omgeleden?
     Hoe zie k u, vuil en zwart
     van velle, en ongedaan,
     nog eer gij blren toogt,
     vol lieve blommen staan?

Wie is t die u vermaant?
Hoe n gaat t u nooit vergeten
     wat u, van eeuwen her,
     wierd aan- en toegevoegd
     te worden? Hoe besnen
     gij blad en blommen droegt
weleer? Hoe s menschen hert
uw mildheid ongemeten
     kwam laven, in den tijd?
     Hoe weet gij, een en al,
     wanneer en welken troost
     uw hout ons geven zal?

Gij allen, even vast
aan s winters wet gebonden,
     als stok en steen zoo doof,
     die op de graven staan
     en waken, wat is u
     zoo schielijk aangegaan
van hooger, dat u leert
de tijden en de stonden,
     om, iedereen van u
     verschillende, in t gewaad
     der lieve lente wer
     te staan, die opengaat?

Een' wasdom wete ik, in
de lochtingen, van leden
     zoo ruw als rotsenwand,
     en bladerloos, medal,
     die zuiverlijk belan
     als met nen regenval
van blinkend manna bloeit,
van boven tot beneden:
     berijmd en rauw van goud
     en kent zijn evenbeeld
     de Cornus niet, daar eerst
     de lieve zonne in speelt.

Hoe kwam u, Pyrus, zulk
een vlage ooit aan te waaien,
     van tongen rood als vier,
     die uwen zwarten stoel
     omslingeren, en gaan,
     als in een brandgewoel,
doorzoeken hoog en leeg,
om alles af te maaien
     dat staande was? Men zou,
     wanneer me' u ziet, zoo zaan
     gaan roepen achter hulpe
     en doen den trommel slaan!

o Perel van den hove,
o perkelboom, gewonnen
     weleer in Perzenland,
     het schoonste zijt gij, vast,
     van t heerlijk boomgewaai,
     dat in ons Vlanderen wast.
Hoe prachtig bloeit uw hoofd,
in t aldereerste zonnen
     der lentemaand! Hoe lief,
     n loedt gij perkels ooit,
     is t peersche blommeken,
     dat uwe takken tooit!

Hoe weten ze altemaal,
die hooge en leege spranken
     van Gods mildadigheid,
     hoe vroeg, hoe laat het wordt
     in t jaar? Wat is t, dat hen
     nog eens te geven port
hetgeen daarover wij
nooit iemand en bedanken?
     Gij weet het best, o Heere,
     en u zij lof daarvan
     gezeid, zoo lange ik ooit
     en penne roeren kan!

19/4/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster