I C H T U S   E I S   A I E I       

Meidagweder is t, alomme
      helder, en geen loof en speelt.
Achter t bloote vischputwater
roer noch rimpelken en gaat er:
           stille staat er
      t blinken in van t zonnebeeld.

Diepende, in zijn' wandelkamers,
      ligt de visch, die hand noch voet,
huid noch haar en heeft, noch veder;
maar die, argloos, op en neder,
           weg en weder,
     vakende, zijn vinnen doet.

Oogen heeft hij, blinkende, en die
      staan gekeerd, k en weet niet hoe;
gaat hij slapen, eet of drinkt hij,
wilt hij boven zijn, of zinkt hij,
           nooit en pinkt hij,
      nooit en duwt hij oogen toe.

Met den monde middagmalend,
     einde en heeft hij nog begin,
maar hij muffelt, zonder staken,
met zijn muile, en met de vlaken
           van zijn' kaken,
     water uit en water in.

Wonder schepsel, zonder sprake,
     woord en tonge en tale ontzeid;
zinnebeeld van ongeraakte,
nooit besproken, nooit bespraakte,
           moedernaakte,
     schaamtelooze onnoozelheid!

t Water mocht de dieren en de
     menschen eens verslinden al,
buiten die, in t schip, huns g'achten,
volk en vee, na lange wachten,
           wederbrachten,
     vrij van rampe en ongeval.

Hij ontzwam het, onverwaten,
      van Gods hand onaangedaan,
Och, of mochten wij, nadezen,
veilige ook en uitgelezen',
           visschen wezen,
     daar Uw' sterke netten staan.

God, van wie me' in de oude dagen,
     dekkende Uw' geheemen zei,
mondlinge, of in beeld geschreven:
"Nut den Visch, Hij zal u geven
           t eeuwig leven."
     Helpt ons, Ichthus, eis aiei!

31/1/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster