I J S L A N D V A A R D E R S     

     o Visscher, die uit visschen gaat,
naar Ijsland, en wilt oversteken,
     hoe n schrikken u de winden niet,
die schip en liên de lenden breken.

             De winden zal
             ik binden aan
             den mast, en mij
             doen voorengaan!

     o Visscher, die het land uit loopt;
uw huis, uw' vrouwe, uw kind, uw erve,
     hoe n vreest gij niet dat dit, aleer
gij wederkeert, of dat, u sterve?

             Me n roek's! In meê-
             of tegenvaart:
             dat God bewaart
             is wel bewaard!

     o Visscher, die uit visschen gaat,
naar IJslands koude en kale boorden,
     hoe vindt gij daar den weg naartoe,
den verren weg, in t hooge noorden?

             De stierman op
             z'n sterren past,
             en t visschervolk
             is naaldevast!

     En hoort gij niet hoe, gram en grouw,
de wulven en de beren huilen;
     en smakken, om uw' schamele schuit,
hun' diepe en donkere watermuilen?

             k En vreeze, in dit
             mijn akkerland,
             noch berentee
             noch wulventand!

     Den walvisch, hoe en vreest gij niet,
matroozen, en de haaientanden?
     En t ongruw zonder name, dat,
bij nachte, doet de schepen stranden?

             k En vreeze voor
             geen ongruw, dat
             al t diepste van
             de zee bevat!

     En t vier, dat uit de bergen springt,
hoe n vreest gij niet, ontvreesde lieden,
     die noordwaards uwe zeilen zet
en zoekt uw land vaarwel te bieden?

             Zoo God mij helpt
             ik ga, van hier,
             en vare vast
             deur t helsche vier!

     o Schipper, die naar IJsland gaat,
hoe n zal u dit niet angstig maken,
     dat, zeven masten hooge, aldaar
heet water heete bronnen braken.

             Is t water heet,
             matroozen, haalt
             den caffiemoor,
             en caffie maalt!

     Heel IJsland is n' klippe, daar
te zien, n oordtje beuter hooge,
     geen kruid en is: hoe staat daarop
zoo nagelvast uw herte, uwe ooge?

             k Heb beuter tot
             de bomme, hoort,
             en bargenspek,
             en bier aan boord!

     o Schipper, zijt ge uw leven moe,
en liet gij liefst, in zee gesmeten,
     uw lijk, in s waters ingewand,
de wormen en de visschen eten?

             Sint Pieter heeft
             de zee begaan:
             dat hij bestond
             durve ik bestaan!

     Vaarwel dan, en goe dagen, op
uw' verre reize! Ik zie u zinken,
     allengskens..... Ei! Den mast nu, nu
niet anders meer als water - blinken...!

             Vaarwel! - Gerake
             ik thuis weêrom,
             zijt, - Vlanderland! -
             mij..... willekom!

14/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster