D E   O U D E   K O P W U L G E      

De oude kopwulg' hoort mij melden,
achter lande zie k, onzelden,
     t hoofd met jarig hout gelaân,
     hellende over t water staan.

Tweemaal schoone is ze aan te schouwen:
eenmaal in den diepen, blauwen
     hemel; en, beneên weêrom
     in den diepen waterkom.

Och, hoe geren, achter strate,
zie k u, groene vogelzate;
     hoore ik, als ge zingt en klingt,
     s morgens,... en de zonne blinkt!

Och, hoe is mij lief het leken
dikwijls van den dauw gebleken,
     vallende in den waterplasch,
     uit uw vochtig meigewas!

Blijft nog lange, o oude bonke,
staan daar, van den wulgentronke,
     staan en, bij den waterboord,
     dragen jonghout, immervoort!

Wij zijn t jonghout, die op de oude
koppen staan, wier menigvoude
     wortels uit den moederschoot
     halen ons het daaglijksch brood.

Late God nog lange ons wachten,
eer, eilaas, wij, kruime en krachten,
     door uw' val, voor goed geroofd,
     vallen, met uw vallend hoofd!

26/3/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster