L A A T  W O R D E N       

Waarom niet uw geweld gestaakt,
o menschdom, en, onaangeraakt
     het boomgewas gelaten;
dat gauwloos, Gods bewegen weet
en volgt, terwijl t, aan u besteed,
     zou sterven, achter straten?

Gekort, gekapt, gekandelaard,
van jongs, zoo zaan er zap in vaart;
     gedwongen, dwaasgenepen,
en kan t, alzoo t te groeien poogt,
niet groeien; en t moet, uitgedroogd,
     zijn lamme lenden slepen.

Laat vrij den boom zijn' wegen gaan;
ten gronde uit, in den hemel slaan;
     zijn' takken henenstrekken;
zijn' blren, onder t zonnelicht
ontloken, laat ze, onafgericht,
     hem lijf en leden dekken.

Laat op-, dat op-, laat neêr-, dat neêr
wilt wassen, wassen: heen en weêr
     geslingerd door de vlagen;
gekitteld door de zonne, zal
het, onbesneden, schoonst van al
     zijn eigen schoonheid dragen.

Geen mensch en is t ook, wille en zin
bezittende; geen' ziel daarin
     en woont er, die kan razen,
en bijster loopen, t spoor gemist;
geen ongewillig mensch en is t,
     zoo gij zijt, arme dwazen!

Laat worden dan den schoonen boom,
zoo God hem schiep; der winden stroom,
     vrij zonne- en bronneteugen
laat hebben hem: en Gods geweld,
die t aardrijk al vol boomen stelt,
     zal t boomgewas doen deugen.

20/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster