O  L I E F L I J K E  L E N T E D A G E N   

     o Lieflijke lentedagen,
geen schoonder als het zappig groen,
     dat de eerstontwekte boomen dragen,
dat de eerste lonken wassen doen
     van t ongeweldig zonnewezen,
     dat nauwlijks nog de kimme ontrezen,
ten avonde ebt al, na den noen.

     o Kostelijkste, o lieve stonden;
o vluchtig, o verganklijk iet,
     dat boodschapt, en gaat aanverkonden,
des fellen Zomers hard gebied!
     o Mochte t altijd lente worden,
     en lente zijn, van ende torden
des vollen jaars, en anders niet!

     Doch neen: het kind zal groot bedijgen,
zal jonkheid worden, onbejaard;
     zal mannenkracht, zal vroomheod krijgen,
zal stervend gaan ten gravewaard!
     Zoo lijdt het al voorbij: dat even
     geboren was zal morgen sneven,
ach!... sterfree' wordt elkeen gebaard!

     Gij, ongeboorne alleen, en vrije
van de oude dood, die t al verslindt;
     Gij, dien ik, neêr in t stof, belije,
dat mij te omarmen reeds begint,
     Gij zijt de onvalsche lente, en t leven
     dat Gij belooft, dat kunt Gij geven,
onsterflijk Heere, uw sterflijk kind!

voor einde 1893


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster