M A T E R   D O L O R O S A   

o God, gij weet mijn hert,
t en bleef u nooit gedoken;
gij weet wat ik gedacht,
gewild heb en gesproken;
     gij zijt, van kindsbeen af,
     mijn' hope en mijn bestaan:
     vergeeft, heb ik u ooit
     ondankbaar iet misdaan!

En nu, dat ik zoo diep
ben van de dood geslegen,
mijn blomken afgeplukt...
Gekist en uitgedregen,
     o God, aanhoort mij, en,
     in al uw goedheid groot,
     verlost mijn herte, dat
     benauwd is tot der dood!

Gij laagt eens in den hof,
en zweettet, op de steenen,
van angst, uw dierbaar bloed:
ach ziet mij zitten weenen,
     alleen in huis! Mijn huis,
     dat ijdel is, beroofd
     van leven, vier en vonke,
     en alles uitgedoofd!

Staat op, Gij, Heere, en vat
mijn' handen! Stelpt de bronnen
mijns weenens, die bijna
zijn uit- en afgeronnen;
     laat volgen mij met U,
     met U ten Kruise gaan,
     en, droeve moeder, naast
     uw' droeve Moeder staan!

29/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster