M E E Z E N        

Twintig meezenvoetjes
     hippelen in t groen,
zurkelende zoetjes,
     zoo de meezen doen.

Sprongen, rechte en kromme,
     doen ze elkander na,
oppe, neêre, en omme,
     ga en wederga.

Elk, op elk z'n taksken,
     laat z'n tonge gaan;
elk het meezenfrakske, en
     t meezenmutsken aan.

Voor die t frakske maken,
     n' duim, of drie quart
kost het, van blauw laken,
     met en lapken zwart.

Uit die kleene lapkes,
     zwarter als laget,
snijen de meezen kapkes,
     volgens hunne wet.

k Zie ze geren spelen,
     k hoor ze geren, s noens,
bobbelender kelen,
     babbelen bargoensch.

t Zit entwaar en spinne,
     t ronkt entwaar en bie:
snappen doen ze ze inne,
     zonder "een-twee-drie."

Hoort ze vijzevazen,
     altijd even stout;
reppen, roeren, razen,
     weg en were, in t hout!

"Mij!" zoo roept er eene,
     "mij die mugge!" - "Dij?"
Wederroept Marleene,
     "mij, Martijne, mij!"

Twee, die wetten weten,
     deelen t heltegoed:
eten en vergeten
     mensche en meeze moet!

10/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster