M E I D A G      

De kerzelaar zijn trouwgewaad
        heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is t,
        ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,
        bewonden, wit,
tot tenden, in een' witte schee
        van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
        de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
        zijn blomgebloei.

Te winter was zijn' schoonheid als
        een' beeltenis
des levens; koud en ijdel, zoo
        de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
        geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
        dat liefgetal.

t Is bruiloft, en t is zonneweêr:
        de zomermeid
den bruidegom verwacht, die haar
        was toegezeid.

1/5/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster