M E M E N T O   H O M O...    

"Memento homo", houdt in uw
     geheugen diep geschreven:
die leeft nu nog, eer t lange lijdt,
     zult sterven, en niet leven.

Van stof zoo zijt ge, o mensch, gemaakt;
     van stof, daar, voor uw' voeten,
de wind meê speelt; en weêr in stof
     verkeeren zult gij moeten.

o Mensch, gij die zoo hooge vliegt,
     zoo leege zult gij dalen;
en, weêr gij wilt of niet en wilt,
     eens Adams schuld betalen.

Wanneer zal de onverbidlijkheid
     daar zijn, van t moeten stuipen;
van t moeten in den schoot, weêrom,
     van s aardrijks molde kruipen?

Wanneer? t En weet geen een wanneer,
     noch hoe, noch waar: "Gij lieden
die leeft", zegt God, "zult sterven eens:
     het moet en t zal geschieden."

"Vas figuli" dat zijt ge, o mensch,
     den eerden pot geslachtend:
bij val of stoot, op elken dag,
     uw endelvers verwachtend.

Een vat, ja, heeft u God gemaakt,
     maar niet zoo andere vaten,
die ijdel staan: een ijdel vat
     en heeft u God gelaten.

Een' geest heeft Hij u ingevoegd,
     een kracht u aan doen kleven,
die thuisbehoort in t eeuwige, en
     die t vat zal overleven.

Een' geest, aan Hem alleen bestemd;
     en, valt het vat in scherven,
die hemelwaards verrijzen zal,
     om nimmermeer te sterven.

o Wierookvat, o broos gerief
     des lichaams, daarin branden
gerooksels, die genietbaar zijn,
     in s hemels lustwaranden!

o Schulpe, waar men later vindt
     uw scherven, al versleten,
en zegt eilaas: "de Geur is goed",
     of "kwaad": wie kan het weten?

Zoo dichtte ik, als Lagae mijn beeld
     zorgvuldig evenaarde,
en poetste mij, onsterflijk, na...
     in pottenbakkersaarde!

24/10/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster