S C H O O N E  N A C H T     

Wolken, t zijn... lijk sperreboomen,
     uitgespreid, alhier aldaar,
staan, ten oosten heen, de zoomen
     vol, van s menschen woonsteê. t Jaar
wendt te zomerwaard zijn schreden,
nacht aan t worden is t, en heden
     helder was t een dag, voorwaar.

Tusschen t sperreboomsch geveder,
     t donkerzwarte, zie k het zwerk
duisterblauw nog, her end weder,
     ieder stonde minder sterk:
ieder stonde, en, door den donker,
scherper wordt het scherp geflonker
     van n sterre, in t wolkgevlerk.

k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse,
     die, elkander nagespoed,
tusschen hier en daar een stresse,
     gaandeweg, mijne ooge ontmoet
in de wolken; die maar droomen
meer en zijn van sperreboomen:
     nacht en donker is t voor goed.

o Alleen nu zichtbaar schoone
     woonsteê, van geen' menschen, neen
maar van God, die in den throone
     zijner hoogheid heerscht alleen:
schoone nacht, die t menschdom duistert,
die van God en sterren fluistert...
     Zoeter zicht en zag ik - geen!

19/4/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster