O O G E N T R O O S T   

Mijne oogen troost het boomgewaai,
     dat groene is, te allen stonde;
maar liever zie k, als alle groen,
     het groen, te platten gronde.

Den moederschoot nabij, en nog
     maar eerst eruit gekropen,
den borsteling gelijkt het, die
     zijn hert heeft zatgezopen.

Het spant, van louter levenslust,
     het blijkt, in al zijn' leden,
n maagdelijk vertoog van versche
     en vaste groeizaamheden.

o Raaploof, dat, te winterwaard,
     zoo mooi, zoo malsch van blâren,
den dooden stoppel groene dekt
     de milde koorenaren!

o Bontgepinte klaverdriesch,
     o moestuin, o de stalen
van t duistergroene silderloof,
     wie weet u af te malen?

Wie al de wisselverwigheid,
     wie t donkerende dalen,
wie t scherp- en scherper groene zijn
     van t mos, mij af te malen!

o Koorenveld, dat ruwt alreê,
     vol duizendduizend naalden,
die rood, en nu ten groene gaande,
     uit uwen rugge straalden!

Hoe schoone is uwe uitwendigheid,
     van langsten nagekeken,
als al die duizend naaldekens
     vol diamanten steken!

o Gers, dat al zoo verre strekt
     als ooit mijne oogen droegen,
ik weide in uwe oneindigheid,
     met eindeloos genoegen!

De boomen staan, half uitgeleefd,
     in kakelbonte reken,
te midden al dien bodempracht,
     vol stervend goud gesteken.

De zonne zaait daar zoet geweld
     van najaarslicht op neder,
en lachen doet ze, lieflijk, al
     die landsche groenheid weder.

Die oogen hebt ge, en God aanziet
     in t schoone, komt aanschouwen
hoe schoon de vloer, te najare, is
     van Vlanderens landouwen!

21/10/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster