O O S T E R E N          

Nuchter nu en nesch zijn alle dingen;
nieuwe, onaangeraakt, die de eerde ontspringen;
nieuwe nu, of nooit, een lied bereid,
neerstig eere aan u, o God gezeid!

Degende uit den oost is, allenthenen;
dag en dauw in t land, en licht, verschenen;
perels overal, die op, die aan
t ruwgelokte gers te blinken staan.

Boven, in den top der hoogste boomen,
worstelt en verlangt om uit te stroomen,
t wakkere geweld, dat, ongespaard,
schoonheid overhoofde, en schaduw baart.

t Vee wilt uit den stal. De veulens dweerschen,
mallik achtereen, de malsche meerschen,
manen in de locht; en, eer zoo tam,
dertelt nu, van doene, is rund en ram.

Vogels hoore ik, heinde en verre, slechten
veete om "mij en dij", in s huwelijks rechten;
kijven immer mussche en mussche. t Springt
menig tonge los, die vecht, die vinkt.

Bezig is de bie, van vlerken vlugge;
bezig worme, wespe, miere en mugge;
bezig nu is al, dat been verrept,
vinne, vame voert, of asem schept.

t Wordt allengerhand, een blomke of tiene,
veilig, uit de vouw van t lisch te ziene;
hier end daar al een, dat, hagelwit,
halverwege in t wied, te wachten zit.

Nieuwe zij dan ook, van allen dingen,
lof en eere aan U, die de eerde ontspringen:
lof en eere aan U, die t al verbeidt,
altijd ongedaagde, in de eeuwigheid!

12/4/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster