V A N   D E N   O U D E N   B O O M

Met uitgestroopten arm,
ten halven afgeknuist,
wie staat er daar, en steekt
eene onbestaande vuist
ten hemel? Is t een reus
in beelde? Neen t, t en is
geen menschenbouw, t is eer
een' wangedaantenis;
een steenen berggedrocht,
dat, staande fel en fier,
de scherpe houwen torst
van t vonkend hemelvier.

Doch neen, t en is geen berg,
geen wangedrocht, voorwaar;
t zijn takken stijf en stomp,
t is schorse, die k ontwaar;
die, dikke en diepgegroefd,
geborsten en gescheurd,
van uit den ouden grond
heure oude bonken beurt;
t zijn spanders overal,
t zijn spillen, die k aanschouw,
en loof, dat kroont alom
een steenoud boomgebouw.

De winter heeft erop
zijn boos gebijt vermoord;
het water heeft het merg
in t herte eruit geboord;
de bliksem spookte erom,
en kraakte, met geweld,
er halve boomen uit,
en takken ongeteld;
de tijd onteerde laf
en langzaam al zijn lijf,
en nog en roert hij niet:
hij staat daar, rotsestijf.

En ieder jaar dat loopt
hergroent hij nog, en laat,
wanneer de lente lacht,
zijn spaarzaam loofgewaad
omschaduwen het stuk
hoge uitgepuilden grond,
daar, als hij jonger was,
zijn' geile wortel stond.
Eilaas, niet langer meer
en kan hij, moegeleefd,
de wonden duiken, die
men hem geslagen heeft!

Hij staat daar, oud en strem,
in t wilde windgegons,
gelijk te Roomen, van
groenuitgeslegen brons,
men beelden ziet: geen een
en weet hoe lang gestaan
zij hebben; geen hoe lang
de tijd voorbij zal gaan
en groeten ze, ongedeerd.
- Ik groete u! God beware
u, Vlaamschen ouden "tjok",
nog honderd, duizend jaar!

26/10/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster