P O L Y G O N U M   A V I C U L A R E   L.

Hoe zeer is, op den rand, weêrom,
des wandelpads, mij willekom
het kreupel gers, dat, al zijn' macht,
te kruipen voor mijn' voeten tracht!

t Was winter, en 't en had, weleer,
noch verwe noch gestalte meer:
gestorven was t, en naast gelijk
het stof gedaan, van t aarderijk.

De regen kwam het vocht, nadien,
het voorjaar licht en zonne biên;
en, kreupel, kroop het kranke kruid,
den weg omtrent, de grachten uit.

Den voetweg is het opgeklauwd,
te mijde, en voor den voet benauwd
van hen, die, om het schoonste groen,
geen stapke en zouden ommedoen.

t Bekroop nochtans, den boom betrent,
den ouden braven boom gewend,
voorzichtjes, in de mane meerst,
en de onbezochtste gangskes eerst.

Daar zit het nu gevaren, stout
van herten, daar t hem veilig houdt;
en vaster, in t onvaste zand,
t zijne argelooze netten spant.

Daar doet het nu mijn' zwarte schoen,
dat groene gers, nog zwarter doen;
en t stof, dat hem geen baas en kan,
kijkt leelijk en beschaamd daarvan.

k En weet niet, maar de linden zijn,
van t gers begroeid, ook gers in schijn,
en nauwlijks vinde ik, wel en vast,
waar t gers is, en waar t lindenbast.

De wee daar ook ligt, aan en bij:
één groote groene zee is zij,
die vonken werpt, zoo dunkt mij toch,
veel groender als het gers nu nog.

De zunne is t - kan wel zijn! - die, jong
van stralen, al dat gersgevonk
doet blinken, dat t mijne oogen baadt,
en dood al de andere verwen slaat.

25/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster