QUIS  ENARRABIT         

     Wie is t, die ooit, in woorden, al
Gods heerlijkheên verkonden zal?

     Wie t daveren van de wereldziel,
t nooit afgewandeld zonnewiel?
De zee! de zee! de diepe? En dan,
de onzegbaar verre verten van
heur grondgebied? Wie t groen en t grauw
verdwijnen van heur hemelsblauw,
in t lachen en in t zoet gelaat,
daat t zonnebeeld in slapen gaat?
Wie ooit de kwade handen, die
k ze, wit van woede, steken zie
ten hemel in, vol overmoed,
eer al heur woede is uitgewoed?

     Wie is t, die ooit, aanschoubaar, al
Gods wonderheên verkonden zal?

     Wie t staan der oude sterren, daar
in s hemels hoogte: onwankelbaar,
bij nachte, en hunnen tijd bewust,
zoo zaan de groote zonne rust?
Wie t ongetal, in t eindloos veld,
van t heer, dat daar zijn' stonden telt
en waakt, terwijl de wildernis
des werelds dood en duister is?
o Kracht des hemels, vier en vonk,
die brandt, als in dien doorentronk
van wijleneer, daar Gods gelaat
herkenbaar in te laaien staat!

     Wie is t, die ooit, aanschoubaar, al
Gods wonderheên verkonden zal?

     Wie t groene veld, dat zwanger wordt,
goudgeluwt, en zijn' terruw stort?
Dat t vallen van den vlei verwacht,
den voerman en de molenkracht?
Wie kondigt, wie vertelt er ons
al t bloeigewas, al t biegegons
des zomers? Wie den hommel groot,
de bruine peren, de appels rood?
En badende in die zegenzee,
het ridder- en het rundervee?
Den schaapstal, die uit weiden gaat;
het duifhuis, dat zijn' velrken slaat,

     en...? Wie, die ooit verkonden zal
Gods hooge en schoone wonderen al?

     Wie is t, die t hoofd, den koning van
Gods schepselen, den mensch, den man,
naar de eeuwigheid mijn' reisgenoot,
verkonden zal, in woorden bloot?
Wie is t, die ooit, zoo nauw, zoo na
hem bijgebouwd, zijn' wederga
verbeelden zal? Wie al het schoon
der vrouwelijke mannekroon?
Der kranke, die maar kracht en heeft
als t ingewand heurs herten leeft
in liefde, in leed? Der sterke vrouw
, van liefde alleen, die sterven zou?

     Wie is t die ooit, t zij vrouwe of man,
Gods heerlijkheid volkonden kan?

     Hoe zal t, hoe zal t, nadezen, in
den zetel van Gods huisgezin,
dan schoon zijn, dat geene ooge, geen
gehoor van mensche, groot of kleen,
geen herte, geen gedacht, en heeft
ooit ingezien? Daar levend heeft
die t Leven is? o Zaligheid
dier woonsteê... hoe den naam gezied,
van Hem niet, dien geen penne en schrijft,
van t hpfgebouw, daar God in blijft?
o Zonne, o zee, o veld, o ster,
ik vrage t, her ende weder her,
bericht mij, ik ben moegeschooid
en tenden raad: Wie is t die ooit...?

1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster