D E  R A M E N     

De ramen staan vol heiligen,
     gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond,
     gehertoogd en gegraafd;
die 't branden van het ovenvier
     geglaasd heeft in den scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt
     van 't hemelboogsch geverf.

Doch schaars is herontsteken in
     den oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op
     de heiligen, zoo smelt
't samijtwerk uit den mantelworp,
     de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt
     en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen
     en graven dan, zoo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars
     en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer,
     't is alles henen, tot
één' helderheid gesmolten, in
     één zonnelicht - in God.

14/4/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster