D E   R E G E N B U I E      

Daar is hij weêr! De deuren toe,
     de luiken, boven, neder;
de zolder en de kelder dicht,
     en alles toegetast,
zoo dat hij maar niet in en boore,
     en buiten blijve, vast,
de vijand, die geruchte houdt,
     en buischt en boos is, weder!

Hij rotelt aan de ruiten en
     hij doet de ramen ronken;
de wind is zijn gebuurman, en
     zij boeren, bei te gaar,
om in te zijn; zij vallen en
     zij vloeken op malkaar:
men zeggen zou dat ze, alletwee,
     bij dranke zijn, en dronken!

De deuren toe! Nu buischt het weêr,
     hervat en herbegint het;
daar vallen volle beken op
     het dak, en overal;
het krevelt langs de glazen en
     het zijpelt, en het zal
toch binnen komen, t water: al
     de onvaste voegen vindt het!

Allengskens wordt het stille nu,
     gaan schuilen zijn de winden;
de vlagen wijken ruggewaards,
     en t regenleger snelt,
beneden, in de geulen en
     de goten, met geweld,
om asem, in den ondergang,
     en veiligheid, te vinden.

Gelukkig dat, in huizen, wij,
     gewonnen en geboren,
de voeten en de vuisten van
     den vijand wederstaan!
hij stooten mag en stampen ons,
     en slingeren en slaan:
al nutteloos gevochten is t,
     om nieten en verloren.

13-14/12/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster