S A L I X  V I T E L L I N A  L.    

Wijdauw, wat zijn uw' wiskens net,
goudgeluw, al vol groen bezet,
dat mat is, en als morgengrauw:
dat nijgt, vol nesschen hemeldauw!
Op ieder loofken, elker wis,
een levend leekske liggende is,
dat beeft, dat loopt, dat valt, dat vaart
- en t loofken danst - te grondewaard.
t Is lieflijk! Laat de zonne maar,
die dompelt in de dampen daar,
nog nuchter zijn; en t morgenlicht,
dat t wolkenzwerk op de aarde zicht,
nog nevelachtig: helder lacht,
wijdauwstruik, al uw wissenpracht;
met glans daarop, en vochtigheid,
die t goud veredelt, heengespreid.
Verkoelend een aanschouwen is t,
nog schoonder, want t de zonne mist;
en zuiver.... als een kindgelaat,
dat, moegeplonst, de tobbe uit gaat
. U dankt, o God, mijn herte en zin:
t wijdauwrijs ook - heeft schoonheid in!

20/10/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster