D E   Z O N N E S C H I C H T     

      Gedoken diepe in t stammig groen
van peerdeboon- en terruwstalen,
hoe lavende is het, asemhalen
      en levenskracht weêr innedoen!
k Zou blijven staan hier, stap aan stede,
zoo lang het licht mij dagen dede.

      t En is, van hier tot tenden uit,
zoo verre als bei mijne oogen dragen,
geen mensch te zien; de winden vagen
      voorbij mij, over t veie kruid
der wentelende koorenaren,
die langzaam op- en nedervaren.

      De zonne zit mij, over t hoofd,
te bliksemen; de vonkenregen
verdappert: t is den middag tegen;
      de vogeltale is uitgedoofd;
daar waait een lucht mij ommentomme,
zoo noegzaam als de nagelblomme.

      De grond is drooge, en, nesch, beneên
den akker, schuilt nog veite in de aarde,
die verwe geeft aan t verschgeblaarde
      gebouwsel, langs de velden heen.
k Mag zitten waar ik zitten wille:
het kruid is dwee, de locht is stille.

      Maar stooten doet de zonneschicht
mij, door end door de lijfsgewanden,
t geweld, dat in de hemelpanden
      geboren en geborgen ligt;
het doet me een' vreemde deugd: in de âren
gevoele ik vochtig vier mij varen!

8/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster