S E M P E R V I V U M   T E C T O R U M   L.

Donderbare, die daar, stille,
t schamel boerenvolk te wille,
t lijvig dakstroo ingeklast,
waakzaam zit, en wortelvast.

Angst- en vreesloos wonen ze, onder
uw bewaken, voor den donder:
viel hij t vunzig dakstroo in,
schâloos bleef al t huisgezin.

Geren zie k de katte, bachten
u geluimd, de vogels wachten;
bachten u, heur hermelijn
t zonneken genietend zijn.

Ligt de naakte snee' medallen
om en op u neêrgevallen,
dan en vindt, al zocht hij zeer,
donderbare, u niemand meer.

t Lijdt ook lange eer de euziedropen
los zijn; eer gij, uitgekropen,
weêr den lauwen wind begroet,
die de daken leken doet.

Ei, t verheugt mij, in die dagen,
als van u de wintervlagen
weg zijn; als gij, groen en blauw,
perels draagt, vol morgendauw!

Naast u dan voorbijgewanderd,
groete ik u, van verwen g'anderd;
groete en zegge, op God gesteund
: "Zalig die beneên u weunt!"

Ja, daar woont, te zulker steden,
overvloed van vriendelijkheden,
arbeidzin onliegbaar, end
rijkdom, die geen' roest en kent.

Vlaamsch gemoed en vlaamsche sprake
herbergt uw' miskende vlake,
schamel stroodak; oud en trouw
Vlanderens eerlijk huisgebouw!

Donderbare, laat, nog eeuwen,
laat uw groen al wit besneeuwen,
winters, laat het zonnevier,
s zomers, u ontverwen schier.

Maar, en komt niet af, van boven
t stroodak onzer boerenhoven;
noch en laat hun huis voortaan,
donderbare, onveilig staan!

Blijft den zwaren donderwagen,
blijft den bliksem verder jagen;
blijft, en, daar ge uw' wortelen spant,
God beware ons Vaderland!

3/2/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster