S T O R M E  O P  Z E E     

Geweldig waait de wind,
     de boomen buigen,
terug en weer terug
          de ruiten slaan;
het ratelt radeloos,
     of t al in duigen,
of t huis begeven ginge
          en t hof vergaan:
te dapper is de wind
     in t land gekomen,
te schielijk is de ruste
     ons herte ontnomen!

Hoe moet het nu op zee,
     bij zulke stooten,
in stukken stuiven, stier
          en steven, al
t gerief van roe en ra?
     De visschersbooten,
wie weet of t amper een
          ontraken zal?
t Wordt menig moeders kind,
     op zee aan t draven,
eer t morgen is - wie weet? -
     een graf gegraven!

Ze bidden, op hun' knie'n;
     de vrouwen weenen,
ze houden, met der hand,
          hunne ooren dicht:
"Woe-hoe! de zee! de zee!
     Onze arme kleenen!
en t laatste, dat daar in
          zijn' wiege ligt!
Het schamel schaap, t en is
     geen maand geboren,
en... heeft het vader al
     op zee verloren?"

"De penningkeerse brandt:
     de winden stillen
zal God misschien nu nog,
          die alles kan;
Maria zal voor ons
     den Heere willen
te voete vallen, daar
          ze is moeder van!
Och helpt en houdt ze vrij
     van zeer en zorgen,
en licht zal voor uw beeld
     staan, Moeder, morgen!"

De vader, oud en stram,
     van t lange varen;
de schipper, en Zij ook,
          met elk een kind;
de twee, die, maandage eerst,
     gebruiloft waren,
de jonge knape, en die
          zijn herte mint:
ze komen hun' belofte
     eerbiedig boeten
en, waschlicht in de hand,
     Maria groeten.

19/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster