T E N D E N          

Nog een tijdtje, en tenden is
     t onbermhertig jagen,
dóór des werelds wildernis,
     van de ongiere vlagen!

t IJs en houdt zoo n gram gerucht
     meer, als onlangsleden,
noch de gladde bane en ducht
     meer mijn angstig treden.

Moegeraasd en uitgereld
     zijn de rauwe smeten
s hagels, en zijn scherp geweld
     heeft de rijm vergeten.

t Sneeuwen op en over al,
     t vriezen bin' en buiten,
leden is t, en liefgetal
     stralen wer de ruiten.

k Zie den dag, die nooit en loech,
     wederom nu striemen,
s morgens, en zijn pijlen, vroeg,
     deur de wolken priemen.

Nog een tijdtje, en tenden uit
     zomer wordt het; hei daar,
vedelt, vogels, overluid;
     morgen is de Mei daar!

Toe! en in dit graf en laat
     langer ons verblijven;
op nu, jongens, gauwe, en gaat
     vroolijkheid bedrijven!

Vuile wolle is laken, eer t
     laken wordt geweven;
wijd is weg, die nooit en keert:
     hopen langt het leven.

Ja, en t is een groot geheem,
     hun, die lijden moeten,
dat al t zure een zierken zeem
     schielijk kan verzoeten.

25/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster