T U   E S   I L L E   V I R!     

     Hoe laat gij, onschuldige boomen, de hand,
omhooge in uw' heerlijke kruinen gestegen,
     u schenden des splierders? Hoe laat gij den tand
der kwetsende spoore, in de lenden geslegen,
     u wondenvol stampen? Hoe laat gij het staal
u kappen der happe, dat t klakt in de verte;
hoe slaan u de jeugdigste takken van t herte,
               zoo dwee, altemaal?

     Gij draagt die u leed doet, gij houdt die u kwelt
den lijdenden boezem, omhooge? Waaromme,
     verduldige boomen, dat nijdig geweld
niet nedergestort voor uw' voeten? Gij domme
     verdragers van hem, dien gij weren kunt... op!
laat scheuren dien tak van t gewichte: hij breke
den hals op den grond, of versmoore in de beke
               zijn' roekeloozen kop!

     o Heere, Gij draagt mij, die kwellende U ben
zoo dikwijls; Gij houdt mij omhoogegeheven:
     de afgrond beneên mij en duchte ik niet, en,
ik sta die me in t daglicht gedoogt, en in t leven!
     Ik sla, Gij geneest, Gij bewaart, Gij voorziet
van krachten den eerloozen arm, die U kwetste...
o Heere, om uw godlijke liefde, op het letste,
               en gramt u toch niet!

10/401895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster