' T  V R I E S T       

Vaste in t ijs staan al de beken,
     effenboords, en volgezeeuwd:
uitgeweerd twee wulgenreken,
     weg t is al, en witgesneeuwd,
al, dat nog mijn oogen zagen,
rechts geleên twee winterdagen.

Weg en wete ik waar mij vinden,
     batte en bane is doodgedaan;
snijden doen de snelle winden,
     t vogelvolk moet schooien gaan:
mussche en merel eten vragen,
zoekende in de doorenhagen.

Deerlijk is de zonne aan t zinken,
     t beste van den dag is om:
t avondt, en de sterren pinken
     schielijk, in den hemelkom:
scherpe en sterke bijzen vagen
t rijspeur van den winterwagen.

Toe zijn al de deuren; dichte
     dekt de sneeuw de daken al;
heinde en verre en zie k gezichte
     dat "goendag!" mij bieden zal;
duister wordt de lucht, en t jagen
sneeuw-, weêrom, en vlokkenvlagen.

Nacht en Winter samenspannen,
     heere zijn ze, en baas, getween;
Vreugde is uit ons land gebannen,
     donker is t en koud, medeen!
Wee- nu mensche en dieren klagen:
s Winters koude tanden knagen.

12/10/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster