V E L U T   U M B R A

Hoe lange al, eer k aanschouwen mocht
mijn schaduwbeeld! En zonnestralen,
door t scheuren van de ontstelde locht,
t daar schielijk, voor mij, henenmalen!
k Verschiete ervan, zoo lange al is't,
dat, zonneken, mijne ooge u mist.

k Gevoel t zoo veerdig: ommentom,
dien eersten blik van liefde t wezen
en t uitzien van heel t scheps'lendom,
gedeluwd en ontziend voordezen,
doen werkzaam, in den zonneschijn,
heropgestaan en wakker zijn.

De witte muur, het roode dak,
de grauwe baan, de zwarte moude,
het groene gers, de bruine tak,
t is al alsof t herleven zoude
in t licht, dat t moede en t doove, van
dat verruwloos is, verwen kan.

Een enkel scheurke in t wolkgewand,
en k sta daar, voor mij, heengeschreven,
van boven tot beneên, in t zand
vertweelingd, in t geweld te leven
des zonnelichts!... Och arme, t sluit
weêr toe: mijn beeld is, - al is uit!

Zoo gaat het, Heer des levens: al
zoo lange ik, in den hoogen throone,
U zelven eerst niet zien en zal,
den nu nog onaanschouwbaar schoone,
zoo lang zal licht en zonneschijn
me, en t leven ook, een schaduw zijn!

1/4/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster