D E  V I S C H E R           

De wolken willen weg, de zee
     zinkt zacht- en zoetjes neder;
en langzaam loopt de lucht alree,
     vol rust- en lustig weder.

     k Ga kijken of k er doen aan zie,
          om t schamel vangstje visch
     te vinden, voor... de moeder, die
          mijn' vrouwe en - angstig is.

Gij bidden zult bindien, opdat
     mijn' hand, o welbeminde,
mijn zoekend herte entwaar entwat,
     dat visch gelijkt, u vinde.

     k Ga kijken of er doen aan is,
          vandage, om in mijn schuit,
     het schamel vangstje verschen visch,
          de zee te visschen uit.

Gij bidden zult, bindien, en, mij
     niet ziende, o welbeminde,
eer morgen, zet dan t luchtje bij
     sint Pieter, op de spinde.

     Gij groote visch, gij kleene visch,
          komt binnen! Geen belet:
     komt binnen, binnen, - t vrouwken is
          zoo angstig! - al in t net!

Gij bidden zult bindien, en mij
     die bergen helpen dwingen,
die ronken! k Hoor, beminde, u bij
     t ontwakend wiegske zingen!

     k Ga kijken of er visch in is:
          in Gods name, uit en op!
     t Zit altemale... al visch, al visch,
          en vol, tot aan den krop.

Gij bidden zult bindien en, mij
     verwachtende, in de verte,
zien komen. Dan: "t Is hij! t Is zij!"
     zal springen uit ons herte.

     Sa, jongens, kuischt de panne: - t is
          haast noene, - en pint het vier:
     toe! vader komt, met verschen visch,
          en stappans is hij hier!

t Is God die ons zijn' gunsten gaf,
     eenieder mag het weten:
trekt vaders visschersleerzen af,
     en laat ons lustig eten.

11/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster