V O G E L Z A N G

Ik hoore t, gij vogelkens,
luide genoeg
herhaalt en herhaalt gij
uw' spraken;
maar, hoe ik mijn beste doe,
spade ende vroeg,
k en wete er geen zin van
te maken.

Verstaat gij malkanderen,
elk in zijn' taal?
Verstaat, gij die meest en
die merelt,
die lijstert, die leeuwerkt, die
muscht, altemaal
uw maagschap, tot tenden
de wereld?

Geen slagers en kenne ik, zoo
dapper als... ei!
die, slaande uwen klank uit
der kelen,
komt vinken en klinken hier,
vroeg in de mei,
en zitten en zingen
en spelen.

Ge n hebt me noch dit, in uw'
zangen; gedwaald;
noch dat, in uw zingen,
vergeten;
gelijk is het altijd, al
t gene gij taalt,
gewikt en gemikt en
gemeten.

Zoo zongen uw ouders, zoo
gij ook, nadien;
en, na u, zoo zingen
uw' jongen;
hebbe ievers ik nachtegaals
zonen gezien,
t was nachtegaals zang, dat
zij zongen.

Dan - alles van buiten weet ge:
al dat gij zingt
en zurkelt en zabbert;
t zit even
zoo net in zijn' haken en
oogen, mij dinkt,
of ware t met inte
geschreven.

Daar leerde toch iemand u t
liedergeluid
naar maten en wetten
bedwingen;
nu heffen, nu leggen: dan
in en dan uit,
van t hoogere in t leege
verspringen!

Geen scholen en wete ik, daar,
lastig en lang,
gij zaat, om uw' lessen
te leeren,
zoo menschen dat moeten, die
spel en gezang
betalende menschen
vereeren!

Gods werken, zijt wonder: ik
wille u verstaan,
doch, helder en wordt het...!
Geraden
en kan ik het raadsel, hoe
Hij heeft gedaan,
de Godlijke Dader,
zijn' daden!

25-26/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster