O P  D E  W A G E N S

Slaande rolt het rad daarhenen,
op de vastgevrozen schenen:
     t ruchtbaar roerend, ronkend staal
     rooft mij oore en tonge en taal.

Dichte ineengevlokte vlagen
doom, lijk snee, die versch is, vagen
     snel voorbij; en, stikken lands
     verre, zie k hun' witte glans.

Overal, omleege, omhooge,
hier en daar en vat mijne ooge
     niet als witzijn, als en als,
     wit gelijk nen zwanenhals.

Zwart alleen zijn esschen, iepen;
zwart de duistere boomenstriepen,
     ginder, lijk nen dam, geleid,
     tenden al die wittigheid.

Kwetsen zie k uwe ingewanden
mannevolk, die, happe in handen,
     moeder Eerde, in uwen schoot,
     grijpen naar hun daaglijksch brood.

Kraaien, nu waarom niet laten
eens uwe arme voeten baten
     t dikke van uw' kleêren? Zwart
     zit gij in de snee en schart!

t Doet mij dere, en k wou ulieden
veerdig hulpe en bijstand bieden:
     horkt!... Maar, eer k een zake u zeg,
     roeit gij, van den werke, weg!

t Sneeuwt nog eens al! Op en neder
danst het lijzig lochtgeveder;
     uit den hoogen afgedaald,
     t een witje om het ander dwaalt.

Roeren doet de locht, alomme
vol gestorte runselblomme;
     room gelijk, die, moegepord,
     beuter, onder t keernen, wordt.

t Sneeuwt! Hoe gaat, hoe gaat ge varen,
die t, met een, met al te sparen,
     kostet houden, nog nen dag
     s maals, aleer de snee daar lag?

Die de vogels, zonder zaaien,
laat den scherpen honger paaien,
     Heere, neemt uw volk in acht,
     dat van U nen troost verwacht!

Slaande rolt het rad daarhenen,
op de vastgevrozen schenen;
     t rap, mij verder voerend, staal
     rooft mij oore en tonge en taal.

14/2/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster