W A R E   B E K E      

o Stille beke, en stemmelooze,
     den dichteren onbekende, die t
gewentel van uw' lijze en looze
     losbandigheid daarhenengiet,
k en hoore u niet, ofschoon de bazen
geweldig van uw rellen razen:
     u, ware beke, en hoore ik niet.

Ik zie u, vol ten boorde, varen
     alhier, aldaar, in t leege land;
t zij ginder verre, alwaar uw' baren
     de zonne lekt en diamant,
t zij hier, beneên mij, neêr gekropen,
en doet gij, beke, uw' mond niet open:
     geen stemme en stoort u, bekenkant.

Gij rept u voort, wijdommegaande
     voor stake en steen, die u den gang
beletten zou, en, tegenstaande,
     u klappen doen, een stonde lang.
t Believe u, dat ik waarheid spreke:
zijn, snelle beke en stille beke,
     uw' voeten vast, uw' tonge is krank!

6/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster