D A T   W I L D E   I K   W E T E N

Wanneer ben ik U naast, o God,
     of verst, dat wilde ik weten:
wanner ik mij, in t donker kot,
     vernibbele, aan de keten;
of dan, wanneer ik henentie
     en vliege, schier vermeten,
naar t licht, dat ik zoo geren zie?
     o God, dat wilde ik weten.

k Heb overal mij zelven meê,
     omhooge en aan de keten!
Die los mij van mij zelven deê,
     diens woonsteê wilde ik weten;
diens hulpe hiet ik duizendvoud
     mij wilkom, onvermeten!
Wat is t nu, dat mij tegenhoudt?
     o God, dat wilde ik weten!

Bedwingen zulk een vrage zal
     uw menschelijk vermeten,
die levende, altijd, overal,
     gevangen in de keten,
zult zoeken, om t geheeme van
     Gods wetenschap te weten...
Wie, buiten U, die t wijzen kan?
     o God, dat wilde ik weten.

10/2/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster