W I N T E R N A C H T

Hoe zwart staan al de boomen in
     de witheid, onverwacht,
van t overdadig sneeuwen, dat t
     gedaan heeft, van den nacht!

Ze staan daar, als gekoolzwart en
     met teekenen geprent,
al zwarte en zware staven, op
     een eindloos pergament.

Ze n roeren noch ze n poeren en,
     bijt nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat t spoken zijn,
     of reuzen altemaal.

De sterren staan en bliksemen,
     als oogen, ongeteld,
van boven, uit de koppen van
     die reuzen vol geweld.

Ze groeien immer grooter, en
     de witheid van de snee
verzwaart de zwarte stammen. Zich!
     van een' zoo wordt er twee.

k Versta nu hoe van drollen, gij,
     en droezen hebt gedroomd,
wanneer ge, Noordsche heidenen,
     verkeerdet in t geboomt.

Bij t razen van den winter en
     bij t nijpen van den nacht,
in de oude, grimme reuzenzegge
     ontstaan in uw gedacht.

21/12/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster