W I T  E N  Z W A R T        

Hoe helder, zwart op wit, die koe
gemazeld is, en weet ik hoe
     te malen noch te melden:
ik zie ze, varings heengevoerd,
en t groene veld voorbijgesnoerd,
     te schielijk en te zelden.

Zoo wit is ze als de snee, die, versch
gevallen over t wintergers,
     te blinken ligt; met vlekken,
die, zwart alzoo de rave, of wel
nog zwarter, in heur sneeuwwit vel
     gemingelmangeld, blekken.

Daar staat ze mij nu, mooi en malsch,
te grondewaard den schoonen hals
     gebogen... en, verdwenen,
zoo drage ik, verre weg, eensgangs,
heur' witte en zwarte schoonheid, langs
     de ratelende schenen.

9/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster