Z A A I D H E D E           

Aarde, laat uw' lenden open-,
     onder schare en riester, gaan;
laat de zaaite, erin gedropen,
regen, locht en zonne nopen
     om, gekeend, weêr op te staan.

Doch, wat zal t der zaaiten baten,
     regen, locht en zonneschijn:
arbeid, in en uit der maten;
s menschen doen en s menschen laten,
     heet ze God niet leefbaar zijn!

Grimme nachten, bange dagen,
     nat en drooge, koud en heet,
wolkenbreuken, donderslagen,
musschen, wormen, hagelvlagen
     staan, onwillig, al gereed..

Hoe dan zult gij, arme kenen,
     leven kunnen, ongestoord,
die nu zit in t land verdwenen,
vast en veilig, als gij henen-,
     eenmaal, uit der molden boort?

Heere God, die hebt geschapen
     levinge ons, in de aarde, n laat
niet, wanneer de zaaiers slapen,
over nacht, des vijands knapen
     deren t ingezaaide zaad!

Vogelnebben, hoenderteenen,
     wormen, onkruid, allertier;
hagelslag en dondersteenen,
grijmtauwe, ate en roest, medeenen,
     scha en water, scha en vier:

Al zoo waar als God, verrezen
     van de dood, is opgestaan,
moet het altemaal, nadezen
krachtloos op dit kooren wezen,
     t geen de vijand heeft gedaan.

17/4/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster