Z O N N E W E N D E      

Een blomken heb ik staan, nabij
     me, in de oude boekenzale,
dat altijd, naar den dag toe, keert
     zijn' blaârkes, altemale;
het wenden mag ik zus of zoo,
dat ik begere volgt het noo,
en t zoekt, weerom naar mij gericht,
nog altijd liever t zonnelicht!

Och, ware ik als dat blomken is,
     in al mijn doen en laten,
mijn zorgen, mijn bekommernis,
     in huis en achter straten:
t zij wat men doet of niet en doet,
t zij wat ik immer lijden moet,
naar u, met herte en ziel, gericht,
o alverzettend zonnelicht!

t Is duister nu en zwaar, te mets,
     omtrent mij: oude kwalen
en nieuwe, doen, van zielgekwets,
     mij moe zijn, menigmalen,
tot dat, o God, naar U gewend,
mijn' duisterheid den dag erkent,
en ziende U, met mijne oogen dicht,
ik asem hale, in t zonnelicht.

2/10/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster