TERUG

Scheef is de poorte, van
oudheid geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
stroo op de zwepingen
zit er gesteken;
vodden beveursten het
huis en den stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zoo
ouden, zoo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is 't dat moeder zat;
daar is 't dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht
; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleenen en
grooten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
't ovenbuur staat daar, zoo
't vroeger daar stond;
't hondekot staat daar, en...
- 't is al zoo lange! -
Hoe is de naam van dien
anderen hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die't
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te arglooze mensen,
weinig begeerdet gij,
groot was uw hert!
Kon het maar helpen, met
weenen en wenschen,
weêr ate ik roggenbrood,
naast u, aan 't berd!


Guido Gezelle
(28/01/1897)


Toelichting

geweken: verzakt
zaâlrugde: ingezakt en er uitziend als een zadel
gesteken: gestoken
vodden beveursten het: graszoden (vodden) liggen op de nok, de vorst van (beveursten)
gesprongen: ontloken
vond...bracht: haar vond die hem last en liefde bezorgde
schippe: kolenschop
ovenbuur: ovenhuis
oudere: vervlogen
hof: hofstede

Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster