TUSSCHEN DE TWEE

Die binnen
de bergen
te wonen
         verkiest,
des morgens,
zijn deel in
de zonne
         verliest.

Des avonds,
nog eer hij
zijn bedde
         bezoekt,
te vroeg is
de zonne m
bedekt en
         bedoekt.

Die boven
de bergen
wilt huizen,
         en kan
den wind niet
verdragen,
en t ruischen
         dervan.

Het zomert
er late en
het koelt er
         te vroeg;
zacht weêre is
er zelden,
en zoelte,
         genoeg.

t Is nat in
de leegten,
het zuipt er
         en t zijpt;
t is drooge op
de hoogten,
het stuift er
         en t nijpt.

Noch stijgen,
noch dalen
en es er
          mij lief:
geen beemden,
geen bergen,
is t beste
         gerief.

Ik schuwe
de hillen,
ik vluchte
         de wee:
daar, best van
al, jeune ik
mij
, tusschen
         de twee.


Guido Gezelle
(29/01/1897)


Toelichting

Dit pleidooi voor de klassieke "gulden middenweg" in het leven, de "aurea mediocritas" van Horatius (Ode II, 10) is al te bezonnen om inhoudelijk typisch Gezelliaans te zijn, tenzij dan als wensdroom.

binnen: tussen, nl. lager in de vallei
bedoekt: (hier) verborgen
zomert: wordt zomer
leegten: dalen
het zuipt er: het doet er niets dan druipen
het stuift er: nl. van de droogte
het nijpt: nl. van de kou
es: is
hillen: heuvels, bergen, hoogten
wee: wei
voel ik me thuis


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster