Frank van der Goes

In memoriam Busken Huet

Wij weten geen ander opschrift voor deze weinige regelen. Iets meer dan iets algemeens kan men thans nog niet geven. Iets anders dan een diep gevoel van verslagenheid moet men niet trachten te onderscheiden. Laten wij den kring van ernstige gezichten van onze vrienden rondzien, en nog niet probeeren te spreken over wat hij geweest is.

Wij beleven drukke tijden. Wij hebben veel te doen, en houden lange, luide gesprekken. De dagen zijn vol van onze begeerten, en de uren weerklinken van onzen lach. Plannen en vooruitzichten maken zich los uit de schemering van het tegenwoordige, en reppen zich voort, wij zien ze al staan met blij gelaat en wenkend gebaar in het licht van de toekomst. Houdt ze een oogenblik vast. Legt uw begeerten het zwijgen op, en lacht niet meer. Stil. Voor vandaag genoeg gewerkt. Komt allen hier, en zet u neer bij elkaar. Want er was iemand, die wij liefhadden, en hij heeft ons verlaten. Het zal treurig zijn in het vervolg te moeten spreken over hem als over een doode. De dag moest nog komen waarop wij hem en zijn naam niet mengden in onze gesprekken; hoe zullen onze gedachten en onze hartstochten het moeten stellen zonder hem? Als men een van óns, een uit deze vriendenkring, die van uur tot uur elkaar rekenschap gaf van zijn daden en zijn gevoelens, naar het graf had gebracht, dan zouden de overigen zich niet verlatener hebben gevoeld dan nu. Wij hebben hem dikwijls kwaad gemaakt, en dikwijls hebben wij ons driftig tégen hem gemaakt. Maar de tijd zou gekomen zijn en ze begon al te komen, dat hij zijn boosheid zou hebben vergeten en wij hem excuus zouden hebben gevraagd, hem wijzend op de liefde die wij voor hem hadden. Want al de genegenheid waarmee een jong geslacht opziet naar den leeftijd van zijn ouders, hadden wij gevestigd op twee dierbare hoofden. Een van die idolen van onze jeugd was hij, en wien zullen wij nu kleeden in het gewaad van onzen eerbied? O, wien? Want nu Huet dood is, en die andere al zoo lang zwijgt, aan wien wij zooveel verplicht zijn als aan den vader die ons het leven heeft gegeven, zullen wij bij de menschen die onze taal spreken, te vergeefs zoeken naar iemand, wiens ziel spreekt tot onze ziel.

O, hij was een ernstig man, zijn God was een God van geest, en de menschen die met hem jong waren en opgroeiden, bleven neergebogen voor beelden van hout. De menigte om hem heen ging naar de kerk der kunst omdat het mode was. Verstrooid en geeuwend luisterde de schare naar den luiden priester en het zwaaiende wierookvat volgde zij met vage blikken. Maar hij had hooge outers zich gebouwd in een eenzamen tempel. Aan de voet van zijn altaren lag hij uitgestrekt enb zijn trillen gebed vulde de ruimte met brandend fluisteren. Maar hij was een trotsch man. En als hij moê gebeden den drempel overschreed, overzag hij het gapend gepeupel dat te hoop liep om den vreemden zeloot aan te staren, met een blik vol spot. Hij verborg zijn hoogen godsdienst voor de menigte en wilde met dat kloppen van zijn hart werd verstaan. Men noemde hem daarom cynisch en vermeed den zonderling die lachte in het kerkportaal. Of wel men schrikte van den hoon die in zijn oogen flikkerde, en stootte elkaar aan, zeggende: zie, daar komt iemand, die ons kwaad kan doen als hij wil, buig het hoofd als hij u voorbij gaat. En hij schreed langs de rijen als een trotsch man schrijdt, die neerziet op de kruinen van hen die hem vreezen.

O, wij hadden eerbied voor den hoogmoed van zijn opgeheven hoofd, dat de lofspraken van den kleinen man niet bewegen konden naar omlaag te zien. Wij beminden den haat, die zijn stappen vergezelde als een gele vlam waar hij zijn voeten zette. Wij hingen dezelfde geliefde aan en als wij, hij en wij, haar met verschillende kleederen wilden sieren, was soms de strijd wild dien wij met hem voerden om onze naakte bruid.

Wij hebben hem in zijnen tempel gezien en den dolksteek van zijn lach gevoeld en op ons hoofd den verschroeienden stroom van zijn gebed. Wie geeft ons den man terug die weenen en bidden en lachen kan als hij? Waar is de Hollandsche man die tot ons zegt: ik! Wie zal deel uitmaken van onze gedachten als wij arbeiden, wie zal eene hooge figuur zijn die wij in den strijd boven al de anderen zullen zien uitsteken, vol bewondering voor zijn hooge leest en den krachtigen zwaai van zijn zwaard? Zal zoo een ooit komen? Of zullen wij voortaan alleen op elkaar kunnen rekenen? Op elkaar, om te bestrijden of lief te hebben, om te vereeren en te verpletteren? Wij verliezen meer in Huet dan de dood van een medestander zou wezen. Wij verliezen in hem een man. De wegbereider is verdwenen. Wij vragen nog niet wat hij gedaan heeft. Kan een zoon zijn vader niet betreuren zonder zijn leven te beschrijven? Vrienden, wij hadden in onze ziel een woning voor hem ingericht, en kwamen dikwijls bij ónzen gast te gast. De conversatie kon dikwijls hoog loopen en in driftige toasten wierpen wij soms de glazen aan scherven tegen de muren. Zouden er nog stukken liggen? Ga dan op uw teenen naar binnen en neem ze weg. Ruim de overblijfselen van het heerlijke feest op, en geef ons elk een bloem om te bewaren.

Maar heel stil. Verander de kamer in een rouwzaal en ontsteek de witte kaarsen. Sluit de vensters, want onze Vriend ligt daar dood neer. Knielt, feestgenoten van gisteren, en laten wij lang elk voor zich alleen met onze gedachten blijven liggen aan zijn bed, vóór dat de menschen daar buiten vbernemen wat er is geschied. Eindelijk zullen wij het lijk uitdragen, maar de leegheid van ozne ziel blijve een eeuwige heugenis aan den beminden man. ZUllen wij dan de handen ineenslaan om den Doode een monument te stichten zijner waardig? Stil -- door den adem van ons fluisteren brandt de kaars aan het hoofdeind onrustiger...


Uit: De Amsterdammer (overgenomen in De Nieuwe Gids, 1e jrg.)