Herman Gorter

Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan

Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,
verzadigd krachtig, in het hoog gezag
des avonds met in 't oog vierkant de dag
van licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.

Zoo ga ik ook, terwijl de groote maan
kogelend voortgaat langs de stroeven dag
der nacht die 'k even koperhel òpzag,
mijn armen en mijn hoofd zijn welberaan.

Dit heb ik zóo en dit ook zóo gedaan,
mijn beenen gaan nog rustig door het werk,
mijn borst dringt voor, mijn oogen zien naar 't rusten.

De slaap heeft breed zijn dommelende kusten,
daar zal ik als op steenenblauwe zerk
slapen, de schouders moe van 't hangend gaan.


Bron: De muze en de seizoenen : een bloemlezing van verzen / Bijeengebracht door Clara Eggink. - Amsterdam: VBBB, 1953
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster