DE golven en hun òver voorovervallen
met hun pralend zoo sierlijk zoo dwaas zoo vergeten boven alle
alle alle alle altijd willen wezen,
en het zinken ineen, het heel niet meer willen wezen
maar diep onder andere, alle ze zinken vergaande
met hun doffe trouwe water-menschoogen,
onder elkander elk momplend, onder elkander elk staande,
allen omlaag en omlaag en niemand meer hooger --
donderend gaan ze omhoog naar de eenzame pralende hooge
wereldverlichtende lucht --
klotsende volle rotsende wiegelend gestreept donkerevlakkige water,
volgroen blankschuime, borstig, schuimuitgezogen
water, nog water, maar wordende licht, maar licht
maar starende liefelijk eenzaam, het stille godswereldlijk licht
van den hemel -- en hier het groenstreelig windliggend w¸googend
neederig gras -- naar de boomen achterwaarts boogend,
van de stille, grove aarde.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.