ALDOOR dat metalen ruischen van de metalen stralende zee
en het woestlichte gebots, het wreede golfweê,
het flitsige bijtige fijnstralend oneindige,
het zoowijdspreidige vloedendomheinige,
en toch dat volle natte blauwe aangerol,
het sprenkelschuime diep watervol,
't oogfijne ooglavende waterdagen,
daar boven het vlakke luchtvlaggen --
gaande daar dames wange' als bloeme dicht voor heen,
parasolzilvere, handekenshange, juweelige in oogschijn.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.