IK was toen een arme jongen
met te groot verlangen.

Lange luchten kwamen gevaren
als lichte zeeëbaren
over mijn hoofd, over mijn hoofd --
mijn licht weenend hoofd.

Op rezen zonnen, vergingen
op hunne goudvurige zwingen,
moe viel mijn oog in mijn hoofd.

Mijn lichaam was toen zoo wonderlijk,
elk lid afzonderlijk
leefde, ik zag het aan,
ik wist niet waar te gaan.

En lentenen kwamen met ademen,
sleepluchten in sleeplichte wademen,
en lichte groene groenblondende schromen
licht lichtlijk straalvingerend om boomen
en glansplekkende wateren
en uitgestrekt klateren
des eeuwigen hemels
en ernstige kemels
van wolken, onderwijl hoog over de lucht --
mijn jeugd, mijn jeugd, vlucht, vlucht,
vlucht niet te gauw voorbij,
maar blijf bij mij.

En donkere nachten
met purperblauw gedachten
en woorden uit omlage stad --
ik zat, ik zat
duisteromfonkeld, nachtoogbelonkeld,
omhoog tegen mijn kussen
gedachten te sussen
en wiegelen in mijn armen --
dat maakte zoo warme
mijn borst en adem langs mijn hals.

En dan de verlangenweeën
naar de schitterlichtzeeën,
naar het teere vingrige spelen,
naar het ongehoord tintelgekwelen,
naar het strepend fellichtend ooglichtblauwen,
naar het lichtezwemen van vrouwen,
naar omtrekken licht die vallend kwijnen,
waar lichamen lijnen schijnen,
ver weg, ver weg --
terwijl hier ver weg
tranen neervallen, lachen opschijnen,
en 't leven in lichte treinen
lachend voorbijgaat alsof het leeft --
zie vèr, vèr geeft
zich de een na de ander op als golven,
golven, golven bedolven
de een na de ander, alles is lichten,
wit, wit verlichten
en scheem'rend schijnen
vlekken en lijnen. . .;
dat is de koninklijke dag
dien een arm kind zag,
lang geleden, lang geleden,
verlangende, toch tevreden,
niet wegdurvend uit verlangen,
lange, lange, lange.

En altijd weer dagen
goudzonspreidingvlagen
en mijn naakte armen omhoog in het licht
en mijn hoofd achterover naar 't licht,
en altijd wachten
wat in gedachten
geheel niet meer was dan wit licht.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.