BEWEGING is vóór me ongewis,
dag nauw siddrend is
geboren, waar menschen vluchten
doorheen, door de witte luchten,
de zwarte menschenstoeten
flauwooge, hangvoete --
de nacht valt, de zwarte brandnacht, --
die heeft nauw omgebracht
het zilverige lislicht,
of om de gevels
zwiepen de nevels
weder van stengelend licht.

Levenbeweging is ongewis,
ik werd geboren
en naar mij te voren
drongen op golven aan
vlotten met menschen belaan,
menschengezichten en dingen,
menschen zoo vreemdelinge
in 't daglicht, zoo licht en fijn,
met zoo welbegrepen schijn.

En ik zelf liep zoo te ademen
de heet verbrande wademen
der lucht, die van zelf doet drenken
keelen en vol beschenken.

Ik ademde licht tevree,
alleen des avonds dee
ik de oogen der dingen toe,
dan was àl om me moe
en wou me ook niet meer aanzien --
elk ding werd zwart van aanzien.

Ik heb honger gekregen,
ik voelde de leege
holen in mij worden des nachts,
in mij is onverwachts
verlangen gekomen,
o mijne leege armen,
o mijn oogen, o mijn arme
verlangende ooren en zoomen
van mijn bloedenden mond --
Sidderd' ik toen, rondom me stond
bleek en flauwoogig het lichten
van al de wereldgezichten.

Handen omhoog ben ik gegaan
vluchten, de zoute traan
stroomde over mijn lippen,
mijn voeten sloegen de slippen
van der dagen gewaan
langs waar ik vluchtend gegaan.

Ik schreide, ik schreide zoo,
mijn keel verhardde zoo,
ik liep zoo hard, zoo hard,
zoo'n pijn deed mijn hart.

O witheerlijk licht, wis
licht dat rondom me is,
maagd die lichtlucht zijt,
tot u heb ik geschreid.

Stil sta ik nu bij u,
vol licht is het mij nu,
het trillende wieglende leven --
ik zie het omhoog fijn beven,
ik zie het benee vaststaan,
warm-lichtend, koel donkrend op een effen baan.

Wij staan daar diep verscholen in,
hebbe' onze lust en onze zin
daarin, is het niet, is het niet, niemand weet
ons vrede gekomen, verdwenen leed.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.