BLINKEND licht splinterde fijn,
uitstortte ik in den schijn,
het straalde over mijn oogen, het stroomde langs mijn lippen,
het viel over mijn gebogen armen en handen -- mijn tippen
van mijn vingeren striemden zijn teere geweven lichthuid,
mijn hooge beenen riemden het spikklend spatzilver er uit --
en toen was ik in de dage
waar hàre zoetstroomige bedden lagen,
hare, de jonge gezwollen bladige bloemige roode lent' --
tot me gewend.

Ze ging zoo dansend, zoo armen zwaar heffend lichtend voorbij,
haar stroomende rug, een glijbaan van licht, haar lichtvolle zij,
het ronde hoofd daar van boven,
de omhoog zolende voet --
de vingers zooals lovers
die zénuwig dè wind trillen doet --
en daar kwam ze ook weer aan
de lucht van zich duwend, over de aarde, luchtbelaan,
in het zware daglicht met haar eigen lachlicht
ademend zwaar alsof ze zong, omdat het haar lippen hóógvol drong,
en de teeder gevelde borsten omhoog
waarlangs het licht langzaam vloog
omdat zíj het was -- omdat zíj zíj was --
het roode langzame lichte witte met een beetje goude licht
en over haar wang en gezicht
gleed het neder omlaag, langzaam en juist daarom traag,
en ze kwam zoo dicht bij me
en ze neerlei me
haar teedere volle borst tegen mijn lip
een ogenblik, want een tip
was ook al veel te veel voor mij
en ze streelde ook over mij
haar groote omhoog geheven zware maar mij lichte hand
en ze legde aan mij
heel het uitgestrekte bloeiende bloem-beddige land
van haar fonkelend, gazzend, zonnend, koren-vlammend lijf
en ik hield me stijf
om niet te vallen, want ik voelde de duizendtallen
van groote bloeddruppels opspringen als een regen in mij --
maar als een plassende stralende regen in Mei
voelde ik toen het licht van haar oogen
door de glimlichte glanzende drooge
luchten over me heen --
't werd stiller om me heen,
ik zag haar gaan, lichtspreidend als een rad van vuur,
verder en verder, zwijmen in dag, overal gelijk vuur --
omhoog was ze en omlaag,
nu was het overal dag,
boven, beneden -- vurig tevreden --
en ik stond alleen met mijn lach.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.