DE zee buiten grijs, zilverig, regenig, lommerig, in wolke' cirkelgespreide --
hier, o hier weekelijk, stillekes groen, verwijdde naar 't wijde,
mijn hoofd, o mijn hoofd in de makkelijk zwakke lucht --
mijn oogen zoo koel, zoo beregend voor de lucht,
mijn handen wat warm neerhangende --
o zoo in zoele omvangende droevigheid bij de gangende
rotsige golvebedwaalde zee
ik mijn hoofd in mijn handen dee --
maar het schitterig ruischen sproeiig, de donderritsel,
het klokkend gekabbel, het lekkend tongflitsen --
het bloed in mijn hand is droog --
nu schaduwe, zeevolle zeeïge voor mijn oog.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.