DAAR ligt dat water -- dat schitterende water.
Zie hoe het schittert, het schitterspreekt, schittertrompettert in de lucht
in de donzige gonzige fijne satijne lucht --
dat droogzilvere opzwemmende water
in dat rondomblauwe dronkkoude dronkdiepe water,
't is een zee bleek sprekend schuim
een woordenmond in het ruim
schreeuwende door de gonswind naar het hemelruim,
dat streefwater, dat geerwater, dat wilwelwater,
het valt al voorover met zijn onhoorbaar geschater
te plonzen te lachen met 't gezicht onder water --
o het oogt hoog, pijlend hoog, het overstroomt elkaar
valt aan, valt aan, ver en ver, daar daar --
en nu ligt het weer schaterend uit te lachen
naar alle kanten, alsof ze wat zagen,
de lucht is boven wittig teer, rondom
valwolken en vèrgaande boomerijen om,
niet heel ver is het àl gestoomde nevel,
molens en boomen even, even.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.