'S AVONDS in 't donker doet ze de oogen dicht
dan wordt het warm en rooder om het oog,
vliedende gaat het weem'lend witte licht
dat brandde daags brandende wangen droog.

Er is niets, maar toch is 't als langzaam fluiten,
lange roodmantels nadren van de ruiten,
en 't duisterspreienvallen en 't omsluiten,
alles dichtbij en warm, 't vergaan van buiten.

Een vrouw. 's Nachts ligt ze warm en stil te leven,
van warmte en donker, niets dan zich, omgeven.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.