EN ik bij de stille zeeën
der wereld zoo wreed tevreeën
levende, hongerende,
o, ik verhongerende,
ik met mijn drooge handen,
ik met het knarsetanden,
ik met het al aangrijpen,
ik met het tot niets rijpen
van bleeke begeerende vruchten --
ik at de geduchte
lauwe ademen met mijn ooren,
ik stond bibberend voor de
groote wijd opene spiegeloogen --
de blauwe lichthoogten.

Hoor, ze gaat over de zeeën
de bleeke sneewweeë,
sneewvlagigheid --
de waters beneeën,
ze liggen te schreien
van gragigheid --
er begint blauw blinken,
de voeten zinken
tot ons, tot ons --
de armen dalen,
rood wordt het vale
vleesch zooals rood dons.

Ik zie haar lijf,
ze is vol schaduw en rood --
teer zijn de dalen in haar.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.