GIJ staat zoo heel, heel stil
met uwe handen, ik wil
u zeggen een zoo lief wat,
maar 'k weet niet wat.

Uw schoudertjes zijn zoo mooi,
om u is lichtgedooi,
warm, warm, warm -- stil omhangen
van warmte, ik doe verlangen.

Uw oogen zijn zoo blauw
als klaar water -- ik wou
dat ik eens even u kon zijn,
maar 't kan niet, ik blijf van mijn.

En ik weet niet wat 't is wat
ik u zeggen wil -- 't was toch wat.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.