IN een grijs huis en in een kamerlicht
woont ze, ze loopt stil, ademt stil altijd,
haar blikke lichte' in kamers lichtlijkheid
des daags aan, 's nachts is strak het huisgezicht.

Ze is zoo roodig in dat parellicht
dat over dag over stadshuizen zwicht,
't gelaat in 't haar staat voor 't raam opgericht
als een rood bloemeke van blad en licht.

's Avonds in 't donker ligt ze vaak te schreien,
het warme donker doet haar zoo verblijen.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.